Alles over schaatsen

De geschiedenis van de schaats – deel 1

Glissen

De allereerste schaats was weliswaar een zeer primitieve schaats, de glis genaamd. Hierbij werden geslepen dierenbotten onder de voeten gebonden, en op deze manier gleed men over het ijs.

Een glis werd voorzien van gaten en werden met palingvellen of pezen bevestig aan de voeten.

De schaatstechniek zoals we die nu kennen kon hiermee nog niet worden uitgevoerd, dus men gebruikte stokken met punten eraan om zichzelf voort te bewegen. Ook werd wel eens gebruik gemaakt van de wind om vooruit te komen.

Dit allereerste en primitieve type schaats, zijn op vele plekken in Europa opgegraven. De oudst bekende schaats stamt uit het verre verleden, en is zo’n 4000 jaar oud. Ze is gevonden in de omgeving van Bern gelegen in Zwitserland.

Op een houtsnede van Johannes Brugmans genaamd Lidwina’s val” is het eerste duidelijke beeld van een schaatser waar te nemen.

Middeleeuwen

In de middeleeuwen ontwikkelde de primitieve schaats zich tot een stevige constructie met een ijzeren mes. Hierop kon men zich in die tijd zeer snel voortbewegen. Het was wellicht in die tijd een van de snelste manieren van verplaatsing.

Competitie

In vrij rap tempo ontwikkelde de schaats zich door van vervoersmiddel tot recreatief gebruik, met competities als einddoel. De Engelse aardsbisschop Thomas Becket omschreef rond 1180 na Christus bijvoorbeeld al dat twee personen op schaatsen in volle vaart op elkaar afrennen, bij wijze van wedstrijdje.

Cornelis IJnzes van Cubaard is een van de eerst bekende hardrijders. Hij won rond 1800 na Christus de kortebaanwedstrijd gehouden in Sneek. De prijs? Een zilveren tabaksdoos.

Wedstrijden waren in die tijd enkel voorbehouden aan mannen. Pas veel later mochten ook vrouwen meedoen aan de competities.

Friese doorloper

De Friese doorloper is een houten schaats met een ijzer welke doorloopt tot het einde van het houtje dat onder de schoen gebonden wordt. Dit in tegenstelling tot de tot dan toe gangbare schaats, waarbij het ijzer eindigde onder het midden van de hak.

Dit type schaats werd rond 1875 ontwikkeld en was een enorm succes. Lange afstanden waren op de Friese doorloper veel effectiever te schaatsen. Tegenwoordig wordt de Friese doorloper nog steeds veel gebruikt door schaatsers. Echter is dit een moderne variant, uitgevoerd in kunststof.

Carve schaats

In 1879 deed de Carve schaats, ook wel Mount Charles-schaats genoemd, zijn intrede. Deze schaats, bedacht door Captain Dowler, was aan de uiteinden aanzienlijk dikker dan het middenstuk. Het idee hierachter was dat een groter gedeelte van de schaats contact had met het ijs. Dit zou het draagvlak moeten vergroten, en de wrijving kleiner.

Ondanks het voordeel dat met dit type schaats de bochten beter en sneller genomen konden worden, wat voor kunstschaatsen een aanzienlijk voordeel is, werd de Carve schaats geen doorslaand succes.

De geschiedenis van de schaats – deel 2

Hoge Noor

De ontwikkeling van de Hoge Noor vond niet heel lang na de uitvinding van de Friese doorloper plaats. In Noorwegen werd ontdekt dat voor een optimale stabiliteit, het mes van de schaats beter in een ronde buis gemonteerd kon worden. Hier ontleent dit type schaats dan ook zijn naam aan.

Naast een vaste schoen bestaat de Hoge Noor uit potten, een voetplaat, een teensteun, een felsrand, een schenkel en een buis. Ondanks het stabiele ontwerp van de Hoge Noor, duurde het nog tot halverwege de jaren vijftig voordat de Noor het aan populariteit won van de Friese doorloper.

De belangrijkste doorbraak in het populair worden van de Noor vond plaats in 1954. Om precies te zijn op 10 februari tijdens de viering van het 75-jarig jubileum van ijsvereniging Thialf in Heerenveen. Tijdens de schaatswedstrijd tussen Gerard Maarse, Arne Johhansson en hun tegenstanders, werd het verschil tussen de twee schaatstypen pijnlijk duidelijk. Waar Maarse en Johhansson op hun Noren als een speer gingen, konden hun tegenstanders op de modernste Friese doorlopers hen gewoonweg niet bijhouden.

Het verlies aan populariteit van de houten doorlopers werd de nekslag voor honderden Nederlandse schaatsmakers. De opkomst van de stalen Noren was simpelweg te groot.

De klapschaats

In 1980 kwam echter de volgende grote stap voorwaarts binnen de schaatswereld. De klapschaats deed zijn intrede. De achterkant van deze schaats klapt open waarbij de scharnier aan de voorkant van de schaats zit. Het gevolg van dit mechanisme is dat de schaatser veel langer contact houd met het ijs.

De eerste ontwerpen van de klapschaats dateren al van rond het jaar 1900, echter was het Gerrit Jan van Ingen Schenau die de klapschaats definitief op de markt bracht. Toch duurde het nog tot 1996 voordat de klapschaats binnen de wedstrijdsport succesvol werd. De uit Scharsterbrug afkomstige Tonny de Jong en Carla Zijlstra uit Sneek waren de eerste wedstrijdrijders welke succes hadden met de klapschaats. Niet veel later groeide ook bij de langebaan- en marathonrijders de liefde voor dit type schaats.

Er zijn tevens nog diverse varianten van de klapschaats ontworpen. Zo is er de dubbele klapschaats en de rotraxschaats. Van deze twee varianten wordt echter nog maar weinig gebruik gemaakt. De klassieke klapschaats blijft toch favoriet.

Schaatstechniek

Het principe van schaatsen

Er vinden tijdens het schaatsen twee soorten weerstand plaats. Ten eerste is er de weerstand van het ijs. Dit behelst zo’n 20% van de totale weerstand. Daarnaast is er de frontale luchtweerstand welke de overige 80% inhoud.

Om deze weerstanden te bevechten wordt een zo groot mogelijke afzetkracht uitgevoerd met als doel een zo groot mogelijke glij-snelheid. Om dit doel te bereiken wordt een afzetbeweging met het been gemaakt, welke bijna loodrecht staat op de richting waarin men wil schaatsen. Dit is namelijk de enige richting met de meeste grip op het ijs. Dit wordt de zijwaartse afzet genoemd en is overeenkomstig met de wet van Newton. Deze wet houdt in dat een lichaam waarop kracht werkt, een versnelling ondergaat.

De schaatstechniek is gebaseerd op het concept van efficiëntie. Met een zo minimaal mogelijke inspanning een maximaal resultaat behalen. In het geval van schaatsen betekend dit dus een zo groot mogelijke afzetkracht en glij-snelheid.

Om snelheid te maken in voorwaartse richting, moet voldaan worden aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is de glij-richting van de afzetschaats. Deze moet namelijk afwijken van de voorwaartse richting. Zo is bij de ene schaatsslag de afwijzing naar links en bij de volgende schaatsslag naar rechts. Op deze manier ontstaat een patroon wat de schaatser in voorwaartse richting dwingt.

De tweede voorwaarde heeft te maken met de ronding van de schaats. Een schaats zonder ronding dwingt de rijder altijd om recht vooruit te glijden. Het zal veel moeite kosten om constant van richting te wisselen en zo het patroon uit te voeren. Dit vereist namelijk een schaats welke wendbaar is. Om gemakkelijk een bocht te nemen en van schaatsrichting te veranderen is deze wendbaarheid uiteraard ook van groot belang.