Waarom meters maken op het ijs begint op het droge
De eerste training op natuurijs of kunstijs voelt voor veel schaatsers als een nieuwe start. Toch hoeft dat niet te betekenen dat de benen, houding en afzet opnieuw moeten worden opgebouwd. Wie in de zomer en vroege herfst gericht werkt aan schaatsspecifieke kracht, balans en conditie, stapt met meer vertrouwen de baan op. Droogtraining voor schaatsers maakt het mogelijk om de schaatshouding, zijwaartse druk en overgang naar het andere been regelmatig te oefenen, ook wanneer er nog geen ijs ligt.
Hardlopen en fietsen blijven waardevolle manieren om de algemene conditie te onderhouden, maar ze bootsen de schaatsbeweging niet volledig na. Schaatsen vraagt om kracht in een diepe heuphoek, controle over het bekken en een afzet die vooral zijwaarts en niet recht vooruit gericht is. Juist daarom kan een hardloper een goede longinhoud hebben en toch moeite hebben om op het ijs snelheid vast te houden. Gerichte droogtraining overbrugt dat verschil. Binnen de vereniging levert dat niet alleen sterkere benen en betere techniek op, maar ook plezier, structuur en een gezamenlijk doel in de maanden waarin de baan gesloten is.
De biomechanica van een zuivere zijwaartse afzet
Bij hardlopen verplaatst het lichaam zich voornamelijk voorwaarts en komt de kracht relatief kort na elkaar van beide benen. De schaatsafzet werkt anders. De schaatser brengt het zwaartepunt gecontroleerd boven het standbeen, leunt mee over de buitenkant van de schaats en duwt vervolgens zijwaarts weg. De drukperiode duurt lang genoeg om veel snelheid op te bouwen, maar alleen wanneer de houding stabiel blijft. Een te rechtopstaande romp, een ingezakte knie of een bekken dat naar buiten wegdraait, verkort de afzet en veroorzaakt energieverlies.
Het zwaartepunt moet tijdens de drukperiode voldoende boven het dragende been komen. Dat betekent niet dat de romp zomaar naar de zijkant valt. De beweging begint vanuit een diepe, ontspannen houding waarin enkel, knie, heup en romp samenwerken. De bilspieren en heupabductoren leveren de zijwaartse kracht, terwijl de buik- en rugspieren voorkomen dat de romp gaat draaien. Balansoefeningen en techniekdrills kunnen dit gevoel buiten het ijs onderhouden, maar een belangrijk onderscheid blijft nodig: een sprong kan kracht ontwikkelen zonder automatisch een correcte schaatsbeweging aan te leren. Techniek moet daarom eerst rustig en gecontroleerd worden geoefend.
| Spiergroep | Functie tijdens het schaatsen |
|---|---|
| Bilspieren | Leveren krachtige heupstrekking en ondersteunen de zijwaartse afzet. |
| Heupabductoren | Houden het bekken stabiel en sturen de afzet naar de zijkant. |
| Quadriceps | Behouden de diepe kniehoek en vangen de krachten bij de landing op. |
| Hamstrings | Ondersteunen heupstrekking, beencontrole en de terughaalbeweging. |
| Core | Houdt de romp stil terwijl het onderlichaam kracht ontwikkelt. |
| Kuit- en voetspieren | Zorgen voor een stevige enkel en een nauwkeurige druk op de schaats. |
Een bruikbare oefening is de eenbenige stand met een lichte kniebuiging. Laat het vrije been rustig terugkomen onder de heup en houd het bekken horizontaal. Verplaats daarna het lichaamsgewicht langzaam van het ene been naar het andere, zonder de romp te laten zwiepen. Zo ontstaat het specifieke gevoel van druk verplaatsen en balans bewaren. Op de ijsbaan vertaalt dit zich naar een langere glijfase, een betere buitenkant en een afzet die niet te vroeg instort. Ook balansoefeningen voor schaatsers benadrukken dat het zwaartepunt boven het steunpunt moet blijven en dat een stevige enkel essentieel is.
Heupstabiliteit en bekkencontrole als stevig fundament
Een stabiel bekken is de stille basis van een goede schaatshouding. Wanneer de heup tijdens een eenbenige steun naar beneden zakt, draait de knie vaak naar binnen en verliest de voet contact met de gewenste druklijn. De schaatser komt dan wel laag te zitten, maar niet sterk. Diepe houding betekent dus niet simpelweg zo ver mogelijk door de knieën zakken. De romp blijft lang, de onderrug blijft neutraal en de knie volgt de richting van de voet.
Werk met een weerstandband rond de knieën of enkels en bouw de belasting rustig op. Begin met een isometrische schaatshouding, voeg daarna kleine zijwaartse stappen toe en sluit af met een gecontroleerde overgang naar één been. De kwaliteit van iedere herhaling is belangrijker dan de lengte van de band of het aantal stappen. Gebruik de volgende opbouw:
- Neem een diepe maar comfortabele schaatshouding aan, met de voeten ongeveer op heupbreedte en de knieën in lijn met de tweede teen.
- Houd het bekken horizontaal terwijl je langzaam drie tot vijf stappen zijwaarts maakt. Duw de knieën licht naar buiten tegen de band in.
- Pauzeer op één been, houd de enkel stevig en voorkom dat de knie naar binnen beweegt.
- Keer terug naar het midden, herstel de houding en herhaal de beweging aan de andere kant.
Een schaatselastiek kan vervolgens worden gebruikt om de zijwaartse druk na te bootsen. Kies aanvankelijk een lichte weerstand, zodat de houding niet door de band wordt vervormd. De oefening moet voelen alsof het been de grond wegduwt, niet alsof de sporter zich met de romp uit de band trekt. Bij pijn in knie, heup of onderrug hoort de oefening te worden gestopt en beoordeeld door een trainer of deskundige. Kniecontrole draait immers niet alleen om spierkracht, maar vooral om sturen, afremmen en stabiel bewegen onder wisselende richtingen.
Explosieve plyometrie voor maximale druk op het rechte stuk
Plyometrie traint het vermogen om in korte tijd veel kracht te leveren. Dat past goed bij schaatsen, waar iedere afzet krachtig maar technisch gecontroleerd moet zijn. Een studie onder junior schaatsers onderzocht een programma van acht weken met twee plyometrische trainingen per week. De groep die de sprongtraining toevoegde, verbeterde onder meer op squat jumps, countermovement jumps, herhaalde sprongen en de snelheid over vijftig meter ten opzichte van de controlegroep. De resultaten zijn geen garantie voor iedere sporter, maar ze ondersteunen wel de waarde van een geleidelijke sprongopbouw in de voorbereiding.
Begin niet met maximale afstand of hoogte. Eerst moet de landing stil, stabiel en pijnvrij zijn. Land zacht op een licht gebogen knie, houd de knie boven de voet en laat de heup het lichaam opvangen. Gras of een rubberen sportvloer is meestal vriendelijker dan beton. Op een harde ondergrond horen de aantallen lager te liggen en de rustpauzes langer. Het advies van Schaatsen.nl over sprongtraining sluit daarbij aan: sprongen zijn explosief en schaatsspecifiek, maar ook zwaar voor spieren en pezen.

- Skater squat hold Laat de sporter gecontroleerd naar één been zakken en twee tot drie seconden stabiliseren. Dit is een goede eerste stap voor balans en diepe heupcontrole.
- Laterale schaatssprong Spring van het ene been naar het andere en land eerst met een korte pauze. Vergroot pas later de afstand en snelheid.
- Squat jump Zak vanuit een stevige schaatshouding iets dieper en spring recht omhoog. Land stil en hervat pas daarna de volgende herhaling.
- Wisselsprong Wissel tijdens een lage sprong van steunbeen. Deze oefening vraagt meer coördinatie en hoort pas in het programma wanneer de basislanding goed beheerst wordt.
Een praktische progressie bestaat uit twee tot drie sets van vijf gecontroleerde herhalingen per been, met minimaal zestig tot negentig seconden rust. Voor gevorderde wedstrijdrijders kan de sprongafstand of snelheid worden verhoogd, maar niet beide tegelijk. Recreanten hebben meestal meer aan een technisch nette landing en een constante trainingsfrequentie dan aan maximale intensiteit. Plan zware sprongen niet direct na een lange duurtraining en geef bij aanhoudende spierpijn extra hersteltijd.
Een compleet wekelijks droogtrainingsschema voor de clubavond
Een clubavond van zestig minuten hoeft niet ingewikkeld te zijn. De training begint met een dynamische warming-up, gaat over in een combinatie van houding, heupstabiliteit en explosieve kracht en eindigt met een technische oefening waarin de groep weer controle en rust opzoekt. Zo blijft de sessie herkenbaar voor verschillende niveaus. Recreanten kunnen minder diep zakken en meer rust nemen, terwijl marathon- en langebaanschaatsers extra herhalingen of een zwaardere weerstand kiezen.
| Onderdeel | Duur | Inhoud | Intensiteit |
|---|---|---|---|
| Warming-up | 10 minuten | Dribbelen, knieheffen, beenzwaaien, enkelmobiliteit en rustige skater hops | Laag tot matig |
| Techniekblok | 10 minuten | Schaatshouding, gewichtsoverdracht en eenbenige balans | Technisch, niet maximaal |
| Stabiliteit | 15 minuten | Isometrische houding, miniband-stappen en gecontroleerde eenbenige squats | Matig, 30 tot 45 seconden werk |
| Plyometrie | 15 minuten | Laterale sprongen, squat jumps en wisselsprongen | Hoog per herhaling, ruime rust |
| Technische afsluiting | 10 minuten | Rustige spronglandingen, mobiliteit en ademhaling | Laag, gericht op herstel |
In de eerste weken van de zomer ligt de nadruk op bewegingskwaliteit en algemene belastbaarheid. Daarna kan de groep de werkduur verlengen, de rust iets verkorten of een extra set toevoegen. In de vroege herfst verschuift het accent naar schaatsspecifieke intensiteit, langere blokken in de lage houding en meer explosiviteit. Een trainer kan werken met twee niveaus binnen hetzelfde circuit. De recreatieve groep doet bijvoorbeeld twee sets, terwijl de wedstrijdgroep drie sets uitvoert met een iets zwaardere band. Zo blijft iedereen betrokken zonder dat sporters boven hun niveau moeten trainen.
De clubdynamiek maakt zware blokken beter vol te houden, zolang de sfeer veilig en respectvol blijft. Werk met vaste tweetallen die elkaar op knie- en bekkenuitlijning controleren, laat sporters hun eigen rust serieus nemen en geef complimenten voor goede techniek in plaats van alleen voor snelheid. Ook kan iedere training een eenvoudig meetpunt hebben, zoals het aantal stabiele eenbenige landingen of de tijd waarin de diepe houding behouden blijft. Droogtraining wordt zo meer dan een conditieavond. Het wordt een gezamenlijk moment waarop jeugdleden, recreanten en wedstrijdrijders aan dezelfde basis werken.
Klaar voor de eerste meters met een voorsprong op het ijs
Gerichte droogtraining vertaalt zich niet automatisch na één sessie naar een perfecte slag, maar regelmatige herhaling bouwt wel de voorwaarden daarvoor. Sterkere heupen houden het bekken stabiel, een krachtige core voorkomt onnodige beweging in de romp en plyometrische training maakt de afzet sneller. Daardoor kan de schaatser langer in een goede houding blijven, de druk beter overbrengen en met minder verspilde energie uit de slag komen.
Continuïteit is belangrijker dan een enkele zware training. Een wekelijkse clubavond, aangevuld met korte stabiliteitsoefeningen thuis en voldoende herstel, geeft de beste basis voor de seizoensopening. Houd de techniek scherp, bouw de intensiteit rustig op en neem pijnsignalen serieus. Wanneer de eerste meters op het ijs worden gemaakt, voelt de houding dan niet onbekend, maar vertrouwd. Samen trainen, elkaar technisch helpen en de discipline vasthouden tot de baan opent, levert uiteindelijk meer op dan alleen sterkere benen. Het zorgt voor een veilige, plezierige en krachtige start van het nieuwe schaatsseizoen.




