Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond

KNSB

De KNSB is de overkoepelende Nederlandse organisatie waaronder de sporten inline-skaten, kortebaanschaatsen, kunstschaatsen, langebaanschaatsen, marathonschaatsen, toerschaatsen, schoonrijden en shorttrack vallen. De bond behartigt de belangen van alle eerder genoemde sporten bij de ISU en NOC NSF.

Oprichting

De KNSB is opgericht op 17 september 1882 in het Odeon in Amsterdam als initiatief van verschillende ijsclubs en ijsverenigingen. Het doel voor het oprichten van de KNSB was ten eerste om het schaatsenrijden aan te moedigen en bevorderen. Daarnaast was het organiseren van en deelnemen aan internationale wedstrijden een belangrijk streven.

Tot december 2012 was het hoofdkantoor van de KNSB gevestigd in Amersfoort. Daarna verhuisde het naar Overvecht, alwaar de medewerkers van de KNSB hun werkplek betrokken bij de verbouwde Utrechtse schaatsbaan “de Vechtsebanen.”

In het najaar van 1922 heeft de KNSB uit handen van Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina, de erenaam “Koninklijk” verkregen. Dit was ter ere van het 40-jarige bestaan.

Op 24 augustus 2011 kreeg de KNSB, uit handen van toenmalig burgemeester Lucas Bolsius van Amersfoort, een document namens Hare Majesteit de Koningin Beatrix. Hierin werd toegezegd dat de bond in ieder geval tot 2036 de titel “Koninklijk” mag blijven dragen.

Gewesten

De KNSB kent acht gewesten, te noemen: Groningen, Gelderland, Friesland, Noord-Holland/Utrecht, Drenthe, Zuid-Holland, Overijssel en Noord-Brabant/Limburg/Zeeland.

Deze gewesten moeten zich aan de gestelde regels van de KNSB houden. Ze staan echter niet direct onder de leiden van de bond.

Secties

Binnen de KNSB bestaan 8 verschillende secties, welke de diverse takken van sport behelzen. Elke sectie heeft een eigen sectiebestuur aan het hoofd, welke de verantwoordelijkheid draagt over het goed verlopen van alle wedstrijdactiviteiten binnen deze betreffende discipline.

Doping in de schaatssport

Lang werd aangenomen dat doping binnen de schaatswereld weinig tot niet voorkwam. Het werd altijd meer gezien als iets dat vooral voorkwam binnen de wielersport en atletiek. Niets blijkt echter minder waar. Daarom een korte opsomming van de meest gebruikte dopingsoorten binnen de schaatssport.

EPO

Binnen de wielersport deed rond 1990 het gebruik van EPO zijn intrede. Het is een hormoon dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert, waardoor het de prestatie bevordert.

Bekende namen binnen de schaatssport welke gepakt zijn op het gebruik van EPO zijn onder andere oud-marathonschaatser Thom van Beek en de Rus Dmitri Sjepel

Groeihormonen

Groeihormonen als anabole steroïden, ook wel anabole androgene steroïden genoemd, waren voornamelijk in de jaren zeventig en tachtig een veelgebruikte vorm van doping. Het zijn synthetische steroïden, welke afgeleid zijn van testosteron, het mannelijk geslachtshormoon.

Er zijn twee verschillende uitwerking van anabolen. Ten eerste zijn er anabolen welke zich binden aan de androgene ontvanger in een spiercel. Nadat ze gebonden zijn gaan ze over tot het omzetten van eiwitten, wat zorgt voor het vergroten van de spiermassa.

De andere soort bindt zich niet of nauwelijks aan de receptor, maar is in staat het afbreken van spiermassa te voorkomen wanneer het lichaam de stof glutamine wil onttrekken aan de spieren.

Schaatstechniek

Het principe van schaatsen

Er vinden tijdens het schaatsen twee soorten weerstand plaats. Ten eerste is er de weerstand van het ijs. Dit behelst zo’n 20% van de totale weerstand. Daarnaast is er de frontale luchtweerstand welke de overige 80% inhoud.

Om deze weerstanden te bevechten wordt een zo groot mogelijke afzetkracht uitgevoerd met als doel een zo groot mogelijke glij-snelheid. Om dit doel te bereiken wordt een afzetbeweging met het been gemaakt, welke bijna loodrecht staat op de richting waarin men wil schaatsen. Dit is namelijk de enige richting met de meeste grip op het ijs. Dit wordt de zijwaartse afzet genoemd en is overeenkomstig met de wet van Newton. Deze wet houdt in dat een lichaam waarop kracht werkt, een versnelling ondergaat.

De schaatstechniek is gebaseerd op het concept van efficiëntie. Met een zo minimaal mogelijke inspanning een maximaal resultaat behalen. In het geval van schaatsen betekend dit dus een zo groot mogelijke afzetkracht en glij-snelheid.

Om snelheid te maken in voorwaartse richting, moet voldaan worden aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is de glij-richting van de afzetschaats. Deze moet namelijk afwijken van de voorwaartse richting. Zo is bij de ene schaatsslag de afwijzing naar links en bij de volgende schaatsslag naar rechts. Op deze manier ontstaat een patroon wat de schaatser in voorwaartse richting dwingt.

De tweede voorwaarde heeft te maken met de ronding van de schaats. Een schaats zonder ronding dwingt de rijder altijd om recht vooruit te glijden. Het zal veel moeite kosten om constant van richting te wisselen en zo het patroon uit te voeren. Dit vereist namelijk een schaats welke wendbaar is. Om gemakkelijk een bocht te nemen en van schaatsrichting te veranderen is deze wendbaarheid uiteraard ook van groot belang.